Historische en kunsthistorische beschrijving van de Kerk van Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart te Oudegem

Geresumeerde tekst uit het boek "De geschiedenis van Oudegem" door Petrus Oscar De Vylder.
(Ontleend aan de stedelijke website, waarvoor onze dank).

Geschiedenis

Volgens sommige geschiedschrijvers zou de kerk oorspronkelijk gebouwd zijn het laatste kwart van de 12e eeuw. Dat is een mogelijkheid, aangezien de Vrijheerlijkheid Oudenghem reeds sedert 1084 in het bezit was van het kapittel van de O.L. Vrouwkerk te Kamerijk. Het was immers in dat jaar dat Gerard II, 39e bisschop van Kamerijk, het goed dat hij reeds voordien ten geschenke had gekregen van de Heer van Dendermonde, aan zijn kapittel schonk.
Volgens de overleveringen zou de kerk gebouwd zijn aan de boord van een zijarm van de Dender, waarvoor de witte zandsteen uit de steengroeven van Meldert, eigendom van de abdij van Affligem, op platte schuiten over de Dender aangebracht zijn.
Andere geschied- en bouwkundigen houden het bepaald op het vierde kwart van de 13e eeuw (ca. 1275) dat de kerk werd gebouwd. Daarvoor steunen ze zich op de bouwvorm van de kerktoren, opgericht op vier vierkantige pijlers, staande in het midden van de kerk, waarop het ganse bouwwerk rust. Dit vertoont, zowel aan het binnen- als het buitendeel, sporen van romaans als van vroeggotische inslag. Oorspronkelijk had de kerk de vorm van een Latijns kruis met vier armen, de toren in het midden en de sacristie bezijden de noordenkruisbeuk, die in de 18e eeuw verdubbeld werd met een nieuwe sacristie, aangebouwd aan de zuiderzijde van het koor. De kerk was in haar eerste geheel een pseudo-basilicaal gebouw, zoals er in de vroegste periode veelal in romaanse stijl werden gebouwd. Wat het koor en het schip betreft kan niet met zekerheid gezegd worden in hoeverre deze in hun oorspronkelijke staat bewaard zijn gebleven.
Aan de buitenmuren van de torenstoel binnen de kerk, vlak onder de roosvensters, bevinden zich nog twee steunblokken, die erop wijzen dat de armen van de kruisbeuk oorspronkelijk bedekt weren met afhellende daken, die op blokken of haken steunden. Die daken werden in de 14e en 15e eeuw vervangen door spitsgevels en -daken zoals deze nu nog bestaan.
Er zijn in de loop van de volgende eeuwen nog verbouwingen gebeurd, zoals o.a. verbouw- en herstellingswerken in 1559 en in 1597 na beeldenstormerij door de geuzen. In 1614 werd de bouwvallige toren hersteld en opnieuw in 1678 na een beschieting. Door een uitbreiding van de Oudegemse bevolking in de 18e eeuw, drong een uitbreiding zich op en werd in 1738 de benedenkerk (het schip) verbreed langs beide zijden. Er werd ook een tweede sacristie aangebouwd. In 1753 werden de beide zijbeuken opnieuw verbreed tot de nog bestaande afmetingen. De buitenmuren werden voorzien van vier renaissancevensters aan beide zijden. Tevens werd ook de voorgevel aangebouwd in de huidige vorm en stijl (renaissance met barokke inslag). Het geheel werd uitgevoerd naar de plannen van architect broeder Filip Govert uit Gent. Het jaartal 1753 staat nog boven de ingangsdeur.
Weerom door aangroei van de bevolking werden door pastoor E.H. Hector Bonner in begin 20e eeuw uitbreidingsplannen gemaakt. De plannen werden gemaakt door architect Goethals uit Aalst. De vergroting gebeurde door aanbouw van drie koorkapellen, waarvoor het oude koor en de twee sacristieën dienden afgebroken. Een nieuwe sacristie kwam er aan de westerzijde. Voor de verlichting werden in de achtermuren voor elk koor een hoog spitsbogig raam met drie geledingen en een roosvormig bovendeel voorzien. In de twee zijmuren kwamen zes kleinere spitsbogige ramen. Het oude schuurdak werd vervangen door een drieledig dak. Door beschietingen zowel tijdens W.O. I als W.O. II werden de daken beschadigd en dienden ze te worden hersteld.

Bezoek aan de kerk

Bij een bezoek aan de kerk gaat in de eerste plaats de aandacht naar de drie neogotische altaren en de kleurrijke gebrandschilderde glasramen.

De drie monumentale altaren werden uitgevoerd naar de ontwerpen van de architect Jules Goethals uit Aalst. De altaren werden uitgevoerd in witte hardsteen door de bekende kunstenaar Remi Rooms. De samenstelling bestaat, naar liturgische voorschriften, uit een tombe, waarbij het altaarblad of -steen berust op de tombe, maar vooraan geschraagd wordt door vier gevlamd-marmeren kolommen, zodat het geheel zowel het uitzicht van een altaar-tombe als van een altaartafel kreeg.
Bij het hoofdaltaar is de retabel en middendeel, volledig uitgevoerd in verguld koper, gemaakt in het werkhuis van Emile Pirot te Luik. De beide vaste zijpanelen zijn in het midden verbonden door het tabernakel waarboven zich de H.-Sacramentstroon met calvarieberg en overkoepelend baldakijn bevindt. In deze beide panelen zijn de beelden uitgevoerd in bas-reliëf, evenals Maria en Joannes op de calvarieberg, terwijl de gekruisigde Christus massief is uitgebeeld. Alle beelden zijn verzilverd.
Het eigenlijke altaar werd door dezelfde beeldhouwer uitgevoerd. Maar de retabel en het middenstuk, samen met de omlijsting van de zijluiken, zijn in oude eik gesneden door beeldhouwer Van Caelenberg uit Aalst. Het middendeel is een nis met overdekkende koepel, voorzien als troon voor een staand Mariabeeld; de vaste zijpanelen vertonen beeldengroepen. De zijluiken bevatten geschilderde taferelen op roodkoperen platen uitgevoerd door Honoré Verwilghen.
Het altaar van het H. Hart van Jezus bevindt zich in het rechterkoor. Voor het schilderen van de zeven grote panelen en acht afzonderlijke figuren heeft kunstschilder H. Verwilghen er vier jaar over gedaan. De retabel bestaat uit drie vaste delen, twee vleugelluiken en twee kleine luiken, zodat het bovendeel geheel kan afgesloten worden.

De verdere bemeubeling van de drie koren verdient de bijzondere aandacht, niet alleen omwille van de vakkundige afwerking en de kunstige versiering, maar vooral voor wat de koorgestoelten en de communiebanken betreft.
De 25 kleurrijke gebrandschilderde glasramen die de kerk rondom sieren en verlichten, werden uitgevoerd door Jos. Casier uit Gent, naar de ontwerpen van baron Jean de Bethune.
De predikstoel en de twee achterste biechtstoelen zijn werken van Jan-Baptist Verhaegen uit Brussel; bezienswaardig omwille van hun mooi beeld- en snijwerk. De voorste twee biechtstoelen werden gemaakt door Judocus van Rossem.
Achteraan in de linkerzijbeuk staat de renaissance doopvont, gemaakt met roodmarmeren voetstuk en koperen torendeksel.
Het machtige orgel werd op 21 oktober 1767 besteld bij orgelbouwer Pieter Van Peteghem uit Gent. Het voltooide orgel werd op 17 april 1769 ingespeeld door Balduinus Schepens, orgelist van de collegiale Sint-Martinuskerk te Aalst en door J. van Staesendonck, organist van de collegiale O.-L.-Vrouwekerk te Dendermonde.
Tevens bevat de kerk een groot aantal kunstwerken: beelden, schilderijen, edelsmeedwerk, gewaden en klokken.